dinsdag, 17 oktober 2017

Onleesbaar

Geplaatst op: 24-09-2017


'Wat moeten we toch met jou?' Het is een verzuchting die ik, door de jaren heen, uit meerdere monden heb gehoord. Die van (tennis)leraren, rijinstructeurs en mijn ouders. Als min-twintiger grijns je als die vraag hardop wordt gesteld: je werkt op iemands zenuwen! Een puber wil niets liever. 

Nu wordt de vraag gesteld 'in het publieke debat'. Het grijnzen is me vergaan. Het is nu alsof de maatschappij vraagt wat ze met mij moet. Niet met mij als persoon, maar met mij als beoefenaar van het vak literatuurwetenschap. Deze wetenschapsdiscipline ligt om meerdere redenen onder vuur. Niet alleen krijgt ze verwijten van 'cultuurmarxisme' – een modeterm die volgens gebruikers ervan slaat op een verspreiding van politiek-correct gedachtegoed dat Nederlandse normen, waarden en trots ondermijnt. Ook het nut van literatuurwetenschap wordt betwist: het biedt geen directe oplossingen voor hart- en vaatziekten, eenzaamheid onder ouderen of vluchtelingencrises. De recente aanval, ingezet door filosoof Sebastien Valkenburg, is gericht tegen 'onleesbaarheid': er worden onnodig moeilijke woorden geïntroduceerd in literatuurwetenschappelijke publicaties. Dat komt de welwillendheid en het leesplezier van anderen niet ten goede. 

En jullie verwachten zeker dat ik, net begonnen aan een literatuurstudie op masterniveau, direct op de bres spring? Jullie overtuig van mijn nut? Welnee, ik pleit schuldig! Die Valkenburg heeft gelijk: niet dóór te komen die teksten. Het had mijn studie veel makkelijker gemaakt als ideeën over 'concepten' en 'denken' in klare taal werden uitgedrukt in plaats van met 'conceptual personae' of 'tentacular thinking'. Nu ik mezelf toch in het verdomhoekje aan het pleiten ben: anno 2017 interesseert vrijwel niemand zich nog voor literatuur, waarom barricaderen we de ingang tot literatuurstudie dan met zulke zware zegswijzen? Moeilijk doen over literatuur gebeurt met een reden. Door te praten en denken over literatuur, praat en denk je over de ideeën die erin worden uitgedrukt. Daar wil je, als onderzoeker, boven komen te staan. Dat is helaas onmogelijk; we zitten gevangen in de taal zelf. We kunnen niet denken of praten zonder taal – beeldtaal, gebarentaal, lichaamstaal. Door nieuwe, moeilijke woorden te bedenken die nog niet in de taal zitten, kunnen we even aan het systeem ontsnappen. Het is moeilijkheid met goede bedoelingen: als literatuuronderzoekers willen we ons op- noch afsluiten. Helaas moet het soms – om die moeilijke dingen te doorgronden in de hoop dat we daar nieuwe ideeën uit halen, die we dan op een goede manier kunnen bespreken met de rest van de wereld: bakkers, timmerlui, artsen, bejaarden(verzorgers), vluchtelingenwerkers, enzovoort. 

Ik zeg niet dat ik met goede ideeën zal komen – een goede column is soms al lastig – maar ik denk wel dat goede ideeën niet zonder noeste arbeid komen. Dat neemt frustratie over die arbeid nog niet weg. Ook ik kijk weleens naar mijn huiswerk en grom: wat moet ik toch met jou? Uitdagend grijnst het huiswerk dan naar mij en denk ik: ik zal je krijgen! 

Pepijn de Groot
 


Aantal keer bekeken: 238 | Er zijn nog geen reacties geplaatst



Deel dit bericht op uw:
Facebook Twitter Google+ Linkedin

Reacties



CONTACT:
Noordelijke Dwarsweg 1a,
2761 GA Zevenhuizen
 

deel deze pagina op uw:

Facebook Twitter Google+ Linkedin