Google

sHarjeet 

Hart van Holland online - Museum
donderdag, 22 oktober 2020

Museum

Geplaatst op: 28-08-2016


Had ik maar
een sik om
aan te sjorren

Had ik maar

een bril

met pootjes om

op te sabbelen

Had ik maar

een flauw benul

Aangenaam: Pepijn de Groot, dichtkunstenaar. Sinds ik regelmatig musea bezoek - Musee d’ Orsay, Centre Pompidou, Kunsthal, Boijmans van Beuningen - ben ik me maar met behulp van kunst gaan uitdrukken. Moeilijk hoeft dat niet te zijn, kunst maken. ‘Maken’ is het belangrijkst. Het deel ‘kunst’ verzinnen de mensen die erover gaan er voor je bij.

Als je ziet wat soms voor kunst wordt versleten. Vooral modernen hebben daar een handje van. De grondlegger van malle kunst is Marcel Duchamp. De Fransman zond in 1917 een pispot in om deel te nemen aan een kunstexpositie. Als er een eeuw geleden niet al vraagtekens werden geplaatst bij de grenzen van de kunst, dan heeft Duchamp met zijn pispot (Fountain heet het, volgens Matisse zit het poëtische van kunst in het samenspel tussen het werk en de naam die het krijgt) die vraagtekens wel opgeblazen tot de proporties van Jeff Koons’ kunst.

Je hoeft geen Matisse te heten om te weten dat het allemaal om namen gaat. Om ideeën en om namen. Conceptuele kunst tovert bij mij, dankzij de absurditeit of de uitvoering, hooguit een grijns op het gezicht: de pindakaasvloer van Wim T. Schippers, de met vilt beklede kamer van Joseph Beuys, zo’n pispot van Duchamp.

Kunst zou zeggingskracht hebben. Genot, rust, inspiratie - uit kunstwerken valt meer te halen dan uit een FEBO-muur. De kunstgeschiedenis gaat niet ver genoeg terug om kijkers te vertellen wat er uit conceptuele kunst te halen valt, zoals ze - getuige de bezoekersaantallen - wel heeft geflikt bij Mona Lisa en De Nachtwacht. Zonder die cultuurhistorische erfenis kun je van alles verzinnen bij conceptuele kunst: ‘die pispot staat voor de wereld: alles erin is uitwerpselen!’

Als ik de modernistenzaal van Musee d’Orsay doorloop - stillevens citroenen op schalen zeezichten - en mensen indringend zie kijken naar de doeken, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat mijn blik niet scherp genoeg staat afgesteld. Wrijven in de ogen helpt niet. Van een kenner heb ik geleerd wat je kunt doen om de zeggingskracht in kunst te ontdekken:

1. Voor je het museum ingaat bedenk je een ‘grote’, niet direct beantwoordbare vraag (‘hoe ga ik komend studiejaar ambitie en plezier combineren’ was de mijne);
2. Kies een kunstwerk waar je een kwartier naar kunt kijken;
3. Kijk zeven minuten naar wat je ziet;
4. Kijk nog acht minuten en denk daarbij na over wat het werk je zegt.

Ik keek naar een werk van Francis Bacon, die vervormde mensen schildert. In zo’n kunstkwartier leer je kunst inderdaad beter kennen. De anatomie van de afgebeelde lichamen, de manier waarop de verf is aangebracht, het effect van de glasplaat voor het doek: er valt genoeg te peinzen.

Over de incubatietijd van het antwoord op de grote vraag heeft de kenner niet verteld. Het vraagteken achter mijn vraag is in het museum alleen maar groter geworden. 

Pepijn de Groot


Aantal keer bekeken: 3683 | Er zijn nog geen reacties geplaatst



Deel dit bericht op uw:
Facebook Twitter Google+ Linkedin


Reacties



CONTACT:
Noordelijke Dwarsweg 1a,
2761 GA Zevenhuizen
 

deel deze pagina op uw:

Facebook Twitter Google+ Linkedin