Google

sHarjeet 

Hart van Holland online - Vertelverlangen
zaterdag, 16 december 2017

Vertelverlangen

Geplaatst op: 07-10-2017


Zit er nou zoveel poëzie in de polder of zie ik ze vliegen? Allebei, waarschijnlijk. Ik kan het in elk geval niet helpen aan Zuidplas te denken als ik gedichten lees. Zodra ik daar een klinkende column uit sla, sluipt er weleens een foutje in. Adri den Boer liet dat, subtiel en indirect, merken in zijn Oud+Heden van 13 september jongstleden. 

Begeesterd door een gedicht van P.A. de Génestet was ik vorig jaar mei aan het googlen geslagen. Ziet u de armharen van de historicus al overeind staan? Ik vond wat bronnen die melding deden van De Génestets aanstelling als Moordrechtse dominee. Asjemenou! Neerpennen die hap! 

De term fake news was nog niet alomtegenwoordig, maar ik stonk er net zo goed in: in werkelijkheid wees De Génestet het Moordrechts emplooi af en werd dominee in Delft. Volgens Den Boer is het een 'vertelverlangen' dat ertoe leidt dat we (lees: ik en mijn foutieve bronnen) zulke dorpssagen, ondanks ontegenzeggelijke bewijzen van ongelijk, blijven rondbazuinen. 

Weg met dominee De Génestet dus en dan komen we, via een gekunsteld bruggetje, uit bij de poëzie van de Tachtigers. Die kunstenaarsgroep van rond 1880 moest niks van stichtelijke en belerende dominee-dichters hebben. Dichtkunst moest doorvoeld en passievol zijn. Zij zagen (dicht)kunst als 'de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie', aldus Tachtiger Willem Kloos. 
Bij lezing van de teksten van Herman Gorter, Albert Verwey en Frederik van Eeden – maar ook brieven van Vincent van Gogh, die als geestverwant van de Tachtigers kan worden gezien – valt me op dat het niet verkeerd is om trots te zijn op Nederland. Even voor de goede orde: dat is nog steeds niet verkeerd. Ongeremd nationalisme is (in de kunsten) echter weinig salonfähig nu onze geschiedenis wordt herzien – inzake Suriname en Nederlands-Indië bijvoorbeeld, waar het Nederlandse gedrag bij nader inzien misschien laakbaarder was dan wij dachten. 

Maar goed, waarom die teksten aan Zuidplas doen denken? Ze ontstonden in een tijd waar reuzen elkaar bestreden in de Eerste Wereldoorlog. De Nederlandse dichters menen dat ons kikkerland en wat eruit voortkomt wel verlossing zal bieden. Het leest als bravoure van ukkies, bravoure die van pas komt bij onze citymarketing – beter gezegd: dorps-promotie.

"Wat nou Amsterdam, wereldstad, met je Bosbaan? Wij leggen ook een roeibaan aan. Doe maar zwaaien met je handjes naar het WK!" "Oh, Rotterdam, kun je lekker hoog uitkijken vanaf die mast? Torentje bouwen doet toch iedereen? Moet je eens bij ons komen, in de Zuidplaspolder! Zo laag ben je nog nooit geweest. Laag gaan, da's pas kunst!" 

Inspirerend? Ik weet het niet. Misschien moeten we dichterlijke bravoure overlaten aan de (hoofd)stedelingen. Ons niet mee laten slepen in mooie verhalen, maar als historici bij de feiten, en onze leest, blijven. En zeg nou eerlijk: als je een gemeentehistoricus hebt die spreekt van 'vertelverlangen'… Wie heeft dan nog meeslepende polderpoëzie nodig?

Pepijn de Groot


Aantal keer bekeken: 347 | Er zijn nog geen reacties geplaatst



Deel dit bericht op uw:
Facebook Twitter Google+ Linkedin

Reacties



CONTACT:
Noordelijke Dwarsweg 1a,
2761 GA Zevenhuizen
 

deel deze pagina op uw:

Facebook Twitter Google+ Linkedin